Herman Verweij (1945)

Uit Zolderbrieven

november
1
de eerste ganzen vliegen over
in hun kielzog wind en regen

ik tel de knopen aan mijn jurk
een trein schrijft in de vroege
sneeuw jouw naam

als ik me klaar maak
om je wakker te dromen

reis jij intussen stapvoets
onmiskenbaar dichterbij


2
de post gerantsoeneerd
het eten zonder smaak

ons weerzien kan ik dromen
hoe mijn handen beven, zoeken
naar jouw mond, een nieuwe datum

gaat er rond, niet nog een keer
laat ik je wachten op een trein

die nooit vertrok, liever kom
ik aan op een leeg perron


Andere gedichten


Hosta

De aarde peuter je open
zoals een tand een babykaak.
De lente draai je om je vingers.

Je kent je taak: groeistuip
in ´t kwadraat. De pot waarin
je staat schuilt onder overdaad.

Op het hoogste punt beland
wapperen je vlaggen. Lang
houd je stand totdat herfstkou

steeds dieper graaft en na
de eerste vorst je kleurloos
slap over de potrand hangt.


Lonely planet

Trots op zijn bevlekt roodkleurig schild
scharrelde hij wat rond tussen de rotsmassieven.

Had er schik in over de toppen te scheren
en te struinen door het struikgewas.

Ik las het aan zijn terloopse huppelpas
en aan beide achterpoten, schalks
zwaaiend in de lucht.

Alsof hij zeggen wilde:
Kijk mij nou!

Ja, ik heb je gezien. Ik telde op je rug
zeven zwarte spetters, druppend
van een kroontjespen met volle blaas

nadat je neergestreken was
op de mouw van mijn ribjas.


Thuisland

Ver weg, steeds verder weg
van waar je tussen de heuvels opgroeide
het water van de rivier smaakte
de lucht doorkliefde
met je zelfgemaakte vlieger.

Geboortegrond verruilde je
voor het onbekende
omdat je geen schietschijf wilde zijn.

Terwijl er mensen achterbleven
soms te klein om te begrijpen
waarom iemand weggaat.

Dagen liep je voort, tot diep
in de avond, opgeschrikt door de roep
van een nachtelijke vogel.

Ondertussen onophoudelijk
fluisterend hun namen
tegen de bergen, tegen de rivier
de krimpende en de volle manen.

Zo raakte je ver van huis
en zonsondergangen later.

En op het uur dat je zal aankomen
in een land dat ook jou toebehoort
brandt er vuur.

Te midden van grazend vee
vliegen vogels af en aan
steekt de wind op
schrijft sierlijk een vlieger hun namen
met de vaste hand van een vader.


Vlekken

Zand erover na de aanleg van het stamriool

totdat zij verscheen
met schepjes groef en schraapte

totdat een muur zich bloot gaf
en haar Vlaams accent de welving streelde

totdat kruikscherven schreeuwden
om een waterput

totdat een dichtgemetseld gat wees
op een moordbal van gewicht

totdat een oude Romein zijn botten telde
daarna rustig verder sliep

totdat zij mij rondleidde
vingerwijzing naar wat vlekken
-voor haar tekens aan de wand-
en in mijn oor zong:
mijn grond bestaat uit zand.


Orio Litta

Het maakt veel uit als je welkom bent.
Is het de naam als een gedicht, de man
die mij een slaapplaats biedt, te eten geeft?

Of zijn het de klokken die goed gestemd
mij een ode brengen. Een zwerver wijst
de weg, ook hij komt ergens vandaan.

Mijn vaste stap ben ik al dagen kwijt door
zolenslijt en een verhitte kop. Zolang er rijst
groeit in dit land, brandt broeder zon.

Ik val in slaap nadat mijn zorgen in een sopje
zijn geweekt en drogen in de wind.
En na het opstaan schets ik Sammie

voor een klein publiek. Zoek in het dorp
naar proviand en ik vergeet dat afscheid
niet op welkom rijmt. Liever zou ik blijven.


Assisi

Aan de deur van de stilte ritselt een blad.
Waarom nu opstaan als de weg het doel,
gisteren geschreven en er geen morgen is.

Opgegeten door het asfalt lopen scheve schoenen
de laatste dagmars naar het zuiden, Franciscus
achterna. Veel volk op de been als hij zich

op het grote plein ontdoet van vaders stoffen.
Om zijn naakte lijf een oude lap met knopenkoord.
Tot vandaag wordt zijn verhaal gehoord, zoals

Giotto dat op een kerkmuur penseelde.
Ik maak me van het schouwspel los; ik wil
nog dwalen in de steegjes, de oude Subasio

opklauteren, wijn aanspreken, me warmen
aan het avondvuur, de laatste dag, het laatste uur.
Toch duurt de reis; hij is immers nooit gelopen.


Zeldzaam

Dwars door halfnatuurlijk
of begreppeld grasland,
laagveenmoeras en elzenbroekbos
op zoek naar grote wedekind,
kale jonker, brunel, kattenstaart,
biezeknoppen, gewone waternavel,
melkeppe en grote pimpernel:
de ecologe stroopt het landschap af,
maakt van de plantenpracht rapport,
hoopt op een onbekende.

Bij het elzenbroekbos versperren
stekelige struiken de doortocht.
Ze loopt zich vast.

En dan, op nog geen meter afstand,
in volle glorie: de zeldzame ratelaar.


Een schoorsteen moet roken

Naderend hoogwater, de droogloodsen, muitende
troepen, een weersomslag, een vreemde vogel,
de stoker op weg naar zijn oven: alles is gezien.

Behalve die afzwaaier, in één klap mijn trots
geknakt. Steen voor steen, door rappe metselaars
langs klimijzers omhoog gebracht, krabbelde ik weer op.

Opnieuw kleurde de lucht rood. Tot de nering
afliep, witte rook uitbleef, ik vanbinnen verkilde en mij
alles werd afgenomen. Tot de koning langskwam, mij zag
en lachend zijn zwaard trok. Voortaan zijn monument!

Wie durft mij nog naar de kroon te steken? Geen schotel
nodig om voorbij de horizon te kijken. Fier als een fallus
sier ik het land, verleid met onzichtbare rookpluimen
en een gespeeld rokershoestje jou, eenzame wandelaar.


Een vindbare plek

Als je de stad verlaat of na een lange
treinreis net op tijd een afspraak haalt,
of als je elders hebt verbleven en de weg
naar huis aanvaardt, je kunt er niet omheen.

Ook de chauffeur niet van lijn zevenzeven
die zijn bus bekwaam de weg opdraait,
of het jonge stel, onderweg naar afscheidszoen
en uitzwaaihanden op een winderig perron.

Hier voor het station veel verse bloemen,
een foto en een lichtje, steun zoekend bij elkaar.
Erboven, als een waker, de torenklok. Traag

maken de wijzers hun ronde zonder te verzaken.
Als het kaarsvet is gestold, het tastbare verdwenen,
zal deze plek nog vindbaar zijn. Je kunt er niet omheen.