Ik ben niet bang
Ik laat anderen graag schrikken
ben zelf voor niemand bang,
maar dát daar, die langpootmug,
daar op het behang?
Met mijn monstermasker jaag ik
Lot en Laurens de gordijnen in,
maar wat hangt daar aan dat draadje,
is dit niet een doolhofspin?
Van Paul van Loon lig ik niet wakker
dol op spoken en vampieren,
maar daar bij de kamerdeur,
kruipt daar niet een slinger mieren?
Niet snel raak ik van de kook, nooit
krijg ik kippenvel en schrik me zelden rot,
nou ja, laatst vloog iets rond de schemerlamp,
was dat geen vieze, akelige mot?
Om een weerwolf moet ik lachen
in een spookhuis blijf ik cool
maar als ik een mug, spin, mier of mot
zie, spring ik bovenop een stoel.
Beentje best
De kuitjes op gespannen voet
met beentjes broos, recht
van rug. Vrucht van eindeloos
geloof in wankel staan.
Vergeet de armpjes niet, botjes
goed verpakt in laagjes spek;
hen is geleerd zich op te trekken
als beentjes aarzelen voor het staan.
Het hoofd, hoofdstukje apart;
een druk verkeer van komen gaan
door wirwardraadjes. Hier en daar
signaaltjes voor op eigen beentjes staan.
En dus de afspraak: wie doet wat
en voor hoeveel ogenblik? ‘Geduld
meneer de koekenpeer; handjes klap
als ik mijn beste beentje voorzet’.
Meestal lukt het
Ik zal de wereld nog verbazen
Let maar op! In deze pan
-het wordt een smerig papje-
doe ik vijf dikke druppels uit het groene flesje
en nog eens drie uit flesje B en flesje C
(mijn geheim geef ik niet prijs, dat snap je).
Als ik het mengsel nu verhit
en het kookt een uur of twee
springt uit de pan, het is geen grapje
een levensechte chimpansee.
Zijn kooi staat klaar
je weet nooit of het een lieve
wordt of eentje met ’n kwaaie kop.
Nee, gespannen ben ik niet.
Laatst lukte het met vijf sneeuwwitte hazen.
Ik zal de wereld nog verbazen.
Het wondergoedje pruttelt op het vuur.
Twee uren zijn er nu verstreken.
Buiten houdt de wind de adem in
de wijzers van de kerkklok staan stil
diep uit de ketel klinkt gegrom.
En morgen lees je in de krant:
In Limburg is een mensaap uitgebroken.
Wie hem vangt, krijgt een beloning
en een lintje van de koning.
Ik heb je toch beloofd:
ik zal de wereld nog verbazen.